Letselschade

Moeder regelt smartengeld!!

Op 22-jarige leeftijd vervoegt Sander (fictieve naam) zich bij ons met een letselschadezaak die op 16-jarige leeftijd zou hebben gespeeld.
Sander heeft toen een scooterongeval gehad waarbij zijn knie uit de kom is geschoten. Door de WAM-verzekeraar is ongeveer een jaar na het ongeval, in 2004, een regeling getroffen met moeder waarbij, zonder dat medische expertise had plaatsgevonden, een (schikkings)bedrag aan moeder was overgemaakt van € 2.000,--.

Moeder zou bij meerderjarigheid van Sander hem dat bedrag verstrekken.
Niets bleek minder waar. Moeder zei dat het zou zijn opgegaan aan studiekosten voor Sander.

Wij hebben de destijds gesloten overeenkomst –na onmiddellijke stuiting van de verjaring- kunnen openbreken onder meer wegens het ontbreken van de BEM-clausule*.

Sander ondervindt nog steeds hinder van zijn knie; met name bij kniebelastende activiteiten. Zeker twee maal per jaar schoot en schiet de betreffende knie “uit de kom”.

De onderhandelingen -waarbij ook de “Smartengeldgids” een rol speelde- hebben binnen een paar maanden geleid tot een vaststellingsovereenkomst waarbij aan cliënt -nu tegen echte finale kwijting- een slotuitkering werd betaald van € 22.500,--.
Uiteraard werd de vaststellingsovereenkomst vergezeld door een belastinggarantie.
Ook de buitengerechtelijke kosten werden door de verzekeraar volledig voldaan.

Voor de goede orde: het schadebedrag bestond niet alleen uit smartengeld maar ook uit de component economische kwetsbaarheid.

Naschrift
Cliënt was –mede door de snelheid van (af)handelen- content. Met zijn moeder had hij “het helemaal gehad”.  


*Die clausule houdt in dat speciaal voor de schadevergoeding een bankrekening wordt geopend ten behoeve van het minderjarige slachtoffer. De schadevergoeding wordt op deze rekening voldaan, maar vanwege de clausule komt het geld pas vrij bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd.
De clausule houdt een garantie in dat de schadevergoeding ten gunste van het slachtoffer komt.
Daarnaast was destijds door partijen ten onrechte geen verzoek ingediend bij de Kantonrechter om de schadevergoeding te “accorderen” terwijl ook dit een zekerheid inbouwt ten behoeve van de minderjarige.
 

WHIPLASH
De Vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (ASP; www.asp-advocaten.nl) heeft sedert maart 2006 een intensieve samenwerking met de Whiplash Stichting Nederland (WSN). Voor whiplash slachtoffers biedt het feit dat letselschadeadvocaat Ted Gersjes lid is van zowel de ASP als van het netwerk ASP-WSN extra voordelen.
Een whiplash slachtoffer kan van de aanwezige expertise een enorm voordeel hebben. Zo heeft een whiplash slachtoffer (maar ook andere slachtoffers) recht op een gratis eerste gesprek en (daarin gaat Ted Gersjes namelijk verder dan de collega’s) een gratis second opinion; in het geval een procedure noodzakelijk is, wordt een zeer gematigd uurtarief gehanteerd.

Om een voorbeeld te geven van de uitwerking van een afgeronde zaak van een whiplash slachtoffer volgt hieronder het relaas dat begint met een (verkeers)ongeval. De zaak is geëindigd middels een vaststellingsovereenkomst met verzekeraar.
VERKEERSONGEVAL

Erkenning aansprakelijkheid
Nadat een verkeersongeval (een zogenaamde kop-staart botsing) had plaatsgevonden, heeft cliënte zich vrij kort daarna tot ons gewend om de verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval aansprakelijk te stellen.
Vanwege de aard van het ongeval vond over de aansprakelijkheid geen discussie plaats; deze werd meteen na aansprakelijkstelling erkend. 
Schadevergoedingsproces
Na de erkenning van de aansprakelijkheid vindt het schadevergoedingsproces plaats. In dit proces zijn in deze zaak heel wat hobbels op de weg geworpen door de verzekeraar voordat er overeenstemming werd bereikt over de aan cliënte toekomende schadevergoeding.

Onze cliënte, die ten tijde van het ongeval werkzaam was als zelfstandige, ondervindt veel lichamelijke klachten en beperkingen. Zoals in whiplash-zaken vaak het geval is, waren deze klachten en beperkingen in medische zin echter niet objectiveerbaar. Dit betekent dat er geen medische oorzaak voor de klachten en beperkingen kan worden aangewezen.
De medisch adviseur van de verzekeraar maakte van dit gegeven gretig gebruik door bij herhaling te proberen de lichamelijke problematiek van cliënte te ontkrachten.

Teneinde een onafhankelijk beeld te verkrijgen van de beperkingen waar cliënte in haar werk tegenop liep, hebben we een neuroloog een zogenaamde functionele mogelijkhedenlijst laten opstellen. De neuroloog concludeerde dat cliënte voor haar werk als zelfstandige niet meer geschikt was en dat zij zodanige beperkingen ondervond dat zij nog maar in staat werd geacht om 10 uur per week werkzaamheden te verrichten in een andere functie.
Zelfs nadat een onafhankelijke deskundige deze feiten had vastgesteld, bleef de verzekeraar dwars liggen. Cliënte zou volgens de verzekeraar niet 10 uur per week kunnen werken, maar 20 uur per week.
De onafhankelijke arbeidsdeskundige die werd ingeschakeld om te beoordelen welke functies cliënte nog zou kunnen verrichten, maakt met dit oordeel van de verzekeraar echter korte metten. Geen enkele functie kon door cliënte nog gedurende 20 uur per week verricht worden; 10 uur per week was de grens.

In het schadevergoedingsproces heeft daarnaast tot 2 keer toe een onafhankelijk deskundige zich gebogen over de vraag welke inkomsten cliënte had kunnen verwerven in haar functie van zelfstandige als haar geen ongeval was overkomen.
De eerste deskundige werd ingeschakeld op voordracht van de verzekeraar, doch de conclusies die in dit rapport werden neergelegd konden geen stand houden. Met de aanwezige bewijsstukken werd in het geheel geen rekening gehouden, hetgeen uiteraard niet acceptabel is.
Toen de verzekeraar weigerde om aan een nieuw deskundigenonderzoek mee te werken, is namens cliënte een verzoekschrift ingediend bij de Rechtbank om een nieuwe deskundige te benoemen. De Rechtbank heeft dit verzoek ingewilligd en de benoemde deskundige kwam inderdaad tot andere conclusies ten aanzien van de gemiste inkomsten (oftewel verlies arbeidsvermogen genoemd).

Alhoewel het erop lijkt dat de diverse deskundigentrajecten zonder slag of stoot hebben plaatsgevonden, heeft de verzekeraar telkens geprobeerd rapporten te betwisten, zodat de uiteindelijke schadevergoeding zo laag mogelijk gehouden kon worden.
In het eindstadium van de behandeling van dit dossier heeft cliënte zelfs nog overwogen om de zaak aan de Rechtbank voor te leggen, omdat gevreesd werd dat de verzekeraar vast zou blijven houden aan haar – zo bleek uit de diverse deskundigenberichten – onjuiste standpunten.

Tijdens de eindbespreking stelde de verzekeraar zich tegen de verwachting in minder slachtofferonvriendelijk op dan verwacht was. Het verlies arbeidsvermogen werd conform de daartoe gemaakte berekeningen toegekend en ook de overige schadeposten leverden niet teveel discussie op.
Uiteindelijk kreeg cliënte een bedrag toegewezen, waarmee zij heeft ingestemd, van ruim € 390.000,-. Vanwege het feit dat gedurende de behandeling van de zaak al diverse voorschotten waren uitgekeerd, resteerde een slotvergoeding van ruim € 280.000,-.
WAZ-procedure
Aangezien cliënte als zelfstandige werkte en zij arbeidsongeschikt was geworden, heeft zij ook nog een aanvraag om een WAZ-uitkering gedaan bij het UWV.

Vanwege het gegeven dat cliënte nog maar kortstondig als zelfstandige werkzaam was en dat daardoor geen adequate duiding van haar inkomen kon worden gegeven, werd de uitkering op nihil gesteld. In een beroepsprocedure mochten de argumenten hiertegen niet baten.
Conclusie
In deze ruim 4 jaar lopende zaak heeft de verzekeraar diverse keren getracht de schaderegeling te frustreren. De rapporten van diverse onafhankelijke deskundigen hebben de doorslag teweeg gebracht. De verzekeraar wist immers ook dat deze rapporten goed gemotiveerd waren en dat afwijking hiervan – indien het tot een procedure bij de Rechtbank zou komen – niet te verwachten was.
Een whiplash slachtoffer moet vaak harder vechten om tot een goed resultaat te komen.
Onze cliënte was bereid deze vechtersmentaliteit te laten zien en uiteindelijk heeft haar lange adem een goed resultaat opgeleverd.


BEDRIJFSONGEVAL
Gedurende enkele jaren stond ons kantoor een cliënt bij die slachtoffer is geworden van een bedrijfsongeval. Door de wederpartij is aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.
Zoals gebruikelijk bij de behandeling van een letselschadezaak is in eerste instantie geprobeerd deze zaak tussen partijen onderling te regelen. Op het moment dat bleek dat de wederpartij niet voornemens was om aan onze cliënt een adequate schadevergoeding (waar hij recht op heeft) te voldoen, is besloten de stap naar de rechter te zetten.
Het struikelblok in de minnelijke fase had met name betrekking op de stelling van de wederpartij dat het medische letsel van cliënt niet aan het ongeval toegerekend kon worden.
comparitie van partijen
Nadat partijen hun standpunten in schriftelijke processtukken aan de kantonrechter hadden uiteengezet, vond een comparitie van partijen plaats. Tijdens deze comparitie gaf de kantonrechter de wederpartij nadrukkelijk in overweging om de zaak toch, met een afweging van goede en kwade kansen, te schikken.
De wederpartij bleef echter vasthouden aan het ontbreken van een verband tussen het letsel en het ongeval, zodat volgens de wederpartij het (aanzienlijke) verlies arbeidsvermogen van cliënt niet voor vergoeding in aanmerking zou komen.
De wederpartij stond er op dat er een onafhankelijk medisch deskundige een oordeel zou geven over het betreffende causaal verband.
medisch deskundige
De medisch deskundige oordeelde dat het letsel van cliënt volledig was toe te schrijven aan het ongeval. Alhoewel er pre-existente afwijkingen bestonden, hadden deze geen verband met de huidige klachten en beperkingen van cliënt. De medische diagnose die werd gesteld was: chronisch pijnsyndroom.
tussenvonnis
In een volgend tussenvonnis heeft de kantonrechter te kennen gegeven dat hij het oordeel van de deskundige zal volgen, hetgeen voor cliënt betekent dat zijn verlies arbeidsvermogen - waarvan inmiddels bekend is dat dit naar schatting euro 100.000,00 zal bedragen - door de wederpartij vergoed moet worden.
Ook nu ging de wederpartij weer dwars liggen en eiste zij getuigenbewijs onder ede van getuigen die eerder al schriftelijk verklaard hadden omtrent nevenwerkzaamheden die door cliënt bij hen werden verricht voor het ongeval en waartoe hij vanwege het ongeval niet meer in staat is.
getuigenverhoor
De kantonrechter heeft een getuigenverhoor laten plaatsvinden, waarbij de getuige (uiteraard) de inhoud van zijn schriftelijke verklaring onder ede bevestigde. Ook de gemiste inkomsten uit nevenwerkzaamheden werden nu door de wederpartij vergoed, met dien verstande dat de zwarte inkomsten wel op witte wijze berekend worden.
Resultaat
Partijen hebben alsnog een regeling bereikt. Onze cliënt kreeg een schadevergoeding van in totaal euro 127.500,00. De procedure bij de Kantonrechter is ingetrokken.